Toon Bastiaensen

Sprundels door Toon Bastiaensen

Hoewel ik op jeugdige leeftijd uit Sprundel vertrokken ben, staat veel van het Sprundelse leven uit de jaren dertig van de vorige eeuw mij nog levendig voor de geest. Het was de tijd van de crisis, een boze tijd, de tijd van de werkloosheid en het ‘doppen’: ik zie de rijen van wachtende mensen nog vóór me die, ik geloof op zaterdag, een paar gulden trokken van de ‘steun’. Dat beeld van een door armoede zwaar getekend dorp is me altijd bijgebleven. Maar andere beelden en andere herinneringen uit die tijd hebben me evenzeer gedurende mijn leven vergezeld. Zo de kerkelijke plechtigheden rond het feest van Sint Jan de Doper, de patroon van de kerk, op 24 juni, en in de week daarop de verering van het Heilig Kruis van Jezus Christus, waarbij de kerkgangers zich door de priester lieten ‘overlezen’ en zo gezegend werden. Op een heel ander terrein is me bijgebleven de geest van saamhorigheid die de Sprundelse gemeenschap kenmerkte: of je nou boer of arbeider of burger was (want er was wel standsverschil), je was toch allereerst Sprundelaar, buur van je buren. En zo bleef Sprundel in mijn gedachten leven, en kwam het beeld van de karakteristieke kerktoren en de karakteristieke molen me op geregelde tijden voor ogen. Heel bijzonder is mijn herinnering ook aan de toenmalige Sprundelse taal. In de latere jaren van mijn leven heb ik, naast het priesterlijke werk, een opleiding als taalkundige gevolgd aan de universiteit. Daardoor ook werd mijn aandacht soms gericht op de eigenaardigheden van de in Sprundel gesproken Brabantse taal. In het ‘Sprundels’ waren zeer oude resten van de vroeger in Brabant, Nederlands en Belgisch Brabant, gesproken taal bewaard. Ik heb daar altijd belangstelling voor gehad en in de loop der jaren heb ik, uit eigen herinnering en door informatie van andere Sprundelaars, een verzameling aangelegd van bijzondere woorden en uitdrukkingen uit het Sprundelse verleden. Omdat ik niet zoveel jaren meer te verwachten heb, geef ik een afdruk daarvan aan de Sprundelse heemkundige kring. Ik voeg daaraan toe dat het tijdschrift ‘Onze Taal’, dat eerbied kweekt voor de hele Nederlandse taalerfenis, misschien ook met genoegen van typische elementen van de ‘Sprundelse taal’ kennis zal nemen. Tenslotte, voor verbeteringen en aanvullingen houd ik me zeer aanbevolen. A.A.R. (Toon) Bastiaensen, Ubbergseweg 172, 6522 KD Nijmegen;telefoon: 024 – 38.28.122; e-mail: toonbastiaensen@lazaristen.com.

Wat ik me van de Sprundelse taal van vroeger herinner.

Om enige ordening in het vele materiaal aan te brengen heb ik de gegevens in zeven hoofdstukken gerangschikt:
I. Mensen onder elkaar
II. Het dagelijkse werk, thuis en op het land
III. Kleding, huishoudelijk werk, eten en drinken
IV. School en opleiding
V. Spel en ontspanning
VI. Allerlei woorden en uitdrukkingen
VII. Afwijkende woord- en zinsvorming

I. Mensen onder elkaar
De mensheid bestaat uit mannen, vrouwen en het jonge volk, op zijn Sprundels gezegd: uit manvolke (in Sprundel spraken ze niet van ‘het mansvolk’, maar van de ‘manvolken’), vrummese (de vrouwmensen; ’n pront vrummes was een flinke vrouw), en ’t jonk volk. Kinderen waren kiendere, een kindje een kieneke. Werd er een baby bij geboren, dan had moeder wir ne kleine gekocht. De meisjes, jong en opgegroeid, waren de meskes. Wie even oud was als ik was van mijnen ouwer. De verjaardag vieren was verjaoren. Vader was ons vaoder, ons paoi of ons pokke, moeder ons moeder, ons moen of ons moeke. Zussen waren bij voorbeeld ons Koos, ons Sjo, broers onze Piet, onze Jos. Wij zeiden: dad is van Josse, maar dad is van onze Jos. En: dad is van Koze, maar dad is van ons Koos. Zo ook. ge mot bij Sjokes en Drieke zijn, nie bij Naantjes en Koë (je moet bij Sjoke en Driek zijn, niet bij Naantje en Ko). Oom Piet was heel vaak Pietoom. Een heel oud woord was keduut (man, kerel, knul), dat in Sprundel in de verbinding nen eikeskeduut met enige hooghartigheid werd gezegd van een man uit het buurdorp St. Willebrord, in de volksmond Teike, ’t Heike (het ‘Rucphens heike’) genoemd. Kèrel was gewoner: gadse kèrel zei je bewonderend tegen een man die onverwacht goed voor de dag was gekomen (gads had, denk ik, te maken met het vloekwoord G.v.d.) Een verwijt was wa zijde ne faant! (wat ben je een rare klant!: faant eigenlijk ‘venter’, ‘landloper’, ‘bedelaar’). Was iemand zijn bezinning kwijt en was hij geestelijk in de war, dan werd gezegd (h)ij wit nie wat toet (hij weet niet wat het doet). Het woord van welkom was oe gaget? (hoe gaat het?), heel familiair oe eddoe? (hoe heb je je?). Het afscheidswoord was oudoe (hou je). Als moeder kwaad was, dan kregen de kinderen schelles (scheldens, verbuigingsvorm van het werkwoord ‘schelden’). Als ze veel drukte maakten, kon ze ongeduldig zeggen: lilleke diengers, ou op mee oe getop (lelijke dingen, hou op met jullie lawaai; tobbe lawaaierig bezig zijn) of oud oew geweld of oud oew gekwèèk. Huilen was schreeuwe of blète. Hard of vervelend praten was kwèke of maauwe. Het platte oud oew geneuk werd gezegd tegen iemand die heel de tijd aan het vervelen was. Met kinderen kon je ook veel dol (moeite, last) hebben. Een lastig kind kon te horen krijgen ‘k wou gik weet nie waor waart (ik wou dat je ik weet niet waar was) of nog forser lilleken aop da che daor staot (lelijke aap dat je daar staat). Maar dat verhinderde niet dat het goed was thuis te zijn. Wie ergens anders was en naar huis verlangde, had vaort (heimwee); wie ergens zei ’t vaord ier gaf te kennen dat hij in een vreemde, niet vertrouwde omgeving was. Sprundel kende ook het gebruik van overleze (klemtoon op de tweede e): op het feest van Sint Jan, 24 juni, en in de week daarop lieten de mensen zich één voor één door de priester in de kerk zegenen, ter afweer van onheil en gevaar: vader en moeder lieten zichzelf en de kinderen overleze.

II. Het dagelijkse werk, thuis en op het land
We kijken rond over het land en op het terrein van woning en werk. Als een stuk grond zich onbebouwd en vlak uitstrekte tot in de verte, dan was dat blak terrein. Een laagte in de grond was een zonk. Werk- en wooncentrum was de boerderij, vaak aangeduid met stee (hoefstee) of oef (hoeve). Woonhuis en koeienstal lagen in elkaars verlengde, met de zul (de deel) als verbinding tussen de twee. Als het bij uitzondering een hoog huis was met verdiepingen, dan sprak men van het eerste of tweede verdiep (verdieping). Tegen het woonhuis lag den of (de hof), de moestuin, waar de vrouw voor eigen gebruik van de familie groente en fruit teelde en plukte. Ze bewerkte de hof en hield hem schoon met een schrepel (= schoffel) en een rijf (= hark). In de hof stonden ook de fruitbomen met de vruchten: appels (dieën appel is bukzoet = die appel is in zijn buik, van binnen, week, beurs), peren, pruime, kerse (krieke en zure morelle), penninge (kleine perziken), mipsels (mispels; de verwisseling van p en s ook in geps in plaats van gesp en in de benaming van het dorp Nipsen [= Nispen]). Een vork in een boom heette ne mik. Een weer was een knoest of kwast in het hout van een boom. Een stuk hout om mee te slaan, een knuppel, was een klippel. De heg die de hof omheinde was de tuin. Een hek, dat er altijd hier of daar stond, heette ekken (een outen ekke = houten hek). Prikkeldraad was pinnekesdraod. Op ‘t feld of den akker was de man aan het werk. Hij bewerkte de grond met de ploeg, de iecht (de eg), de spaoi (de schop); hij hanteerde de zeis en de zekel (de sikkel) bij het maaien en oogsten. De gewassen waren rog (= rogge), dikwijls ook gewoon kore genoemd; tarrew (= tarwe). garst (als ik me goed herinner de naam voor gerst) en aover (= haver). Stro was strooi. Hier en daar stond nog boeket (klemtoon op de eerste lettergreep), boekweit. Lastig waren de paone, het ondergronds voortkruipende en bijna onuitroeibare kweekgras. Sommige gewassen werden niet alleen voor eigen gebruik in de moestuin gekweekt, maar ook op het veld als landbouwproducten voor de markt of voor machinale verwerking: èrpels (aardappelen), arte (erwten), peeë (bieten, vooral gebruikt als veevoer), peekes (peentjes), tollekes (kleine, ook voor mensen eetbare bietjes), alle soorten bezies of bizzeme (bessen): erbezies (aardbeien), moffe (grote, waterige aardbeien van mindere kwaliteit), framboze, rooie bezies, wiete bezies, zwarte bezies. Een rechthoekig mandje vol aardbeien voor de verkoop was ’n benneke erbezies; ’n tup framboze was een brede ronde tobbe met frambozen voor de verkoop. Gekweekt werden ook kruidorens of stikkebezies (kruisbessen). Niet gekweekt, maar in het wild geplukt werden brembezies (braambessen) en klokkebaaie (bosbessen). We kauwden als kinderen ook wel op zuring, die aan de rand van de voetpaden stond. Je moest dan wel uitkijken voor de brunekels (brandnetels). Voor het goed groeien van het gewas moest het op zijn tijd rengele (regenen). Welkom was een zengeske, een weldoend buitje regen. Motregenen heette smosse. Een goed gebruik was het om op Palmzondag in de kerk gezegende palmtakjes rond de akker in de grond te steken, den akker palme, om hulp van boven voor het gewas. Was de oogst rijp, dan moest je het zware werk van maaien niet uitstellen; je moest aan de slag: de spreuk was ‘Tij genog liet zijn koren op het veld’’: de man die altijd maar zei: ‘nog tijd genoeg’, slaagde er uiteindelijk niet in zijn koren te oogsten. Om het niet teveel te laten worden, moest het werk wel op gezette tijden onderbroken worden om uit te rusten, om te schoven. Familie van schoven is schof: hij is al een schof (een hele tijd) weg. Veel boeren hadden arbeiders (arbeiers) in vaste dienst. Ze hadden soms een slaapvertrek in de boerderij. Jaarlijks, op 29 november, het feest van Sint Andreas, werd uitbetaald en werd een nieuw contract gesloten. Die gebeurtenis was boekendefooi (boek ende fooi): er werd betaald volgens het boek (het contract) en er was een ruime fooi toe. Een trouwe helper bij het zware werk op de akker was ook het pèèrd. Als het een bruin paard was, heette het ook vos en werd het met voes, voes aangesproken. De leidsels heetten de lent. Daarmee werd het paard gemend; als je de lent links aantrok en daarbij arom zei, ging het paard naar links, met aantrekken naar rechts en het uitspreken van tiekom naar rechts. Werd het paard voor een wagen gespannen, dan stond het voor de kaar (Van iemand die altijd meteen kwaad werd, werd gezegd dat hij kort in de kaar was). Een wagen voor personenvervoer heette het gerij of meestal met verkleinwoord het gerijke. Een mallejan voor het vervoer van bomen was een oets. Als het koud was, kreeg het paard een pesdeke (= peerdsdeken) op zijn rug gehangen.De koeien werden in het voorjaar van stal gehaald om tot in de herfst , tot de baomis ( St. Bavomis op 1 oktober ).in de wei te grazen. Het sturen en begeleiden van de koeien van of naar de stal of naar de markt heette de koei stouwe (de koeien stuwen). Een stal uitmesten was een stal uitmiesten. De jonge dieren, kalven en vaarzen, werden kalvers en vèèrze genoemd. De varkens (vaarkes) met de biggen hadden hun eigen stal, het vaarkeskot. Ze werden voor het voederen geroepen met kuuskuuskuus, en ze werden ook wel kuze genoemd. Het kippenhok was het nachtverblijf voor de kippen, die tiete heetten (lopen as ’n tiet was hard lopen); halfwaskippen heetten poelies; kuikens heetten pielekes. Als de kippen in de rui waren, dan waren ze aan het ruive.
Sommige boeren hielden bieë (bijen), biekes (bijtjes) in biekurve (bijenkorven): euning (honing) en euningraote (honingraten) waren een lekkernij. Vervelende insecten waren de penneweps of perreweps (= wesp) en de bliendaos (= daas, blindaas, horzel). Een meikever was een mulder (als hij, gevangen en met garen om een poot vastgehouden, begon te snorren en zich opmaakte om te gaan vliegen, zongen wij: mulderke, mulderke, teld oew geld, en gaotan nog eens vliege. Als ik me goed herinner, heette een donkerbruin exemplaar kappesijn, naar het uiterlijk van een pater kapucijn. Een andere insectensoort waren de mieren, in het Sprundels steeds, met klemtoon op de eerste lettergreep, muzeikers (= muurzeikers?) genoemd. Het lievenheersbeestje noemden wij lievenerepèrdje. De kikker was een puit. Wat de vogelwereld betreft, de vlaamse gaai was een annebroek. Alle roofvogels heetten klaampers. Kaawe waren kauwen. Waor out die vogel? (waar houdt die vogel?) betekende: waar heeft die vogel zijn nest? Vogels van hun nest verjagen was vogels verschouwe. Een (lelijke) sport was het nesten uit te halen met jonge nog onbehaarde vogels: pattekaole jong (jongen kaal als een pad). In de omgeving van Sprundel was veel mast (dennenbos): een denneappel heette mastepin of masteprop. Afwijkende bloemennamen waren snoffels (kruidnagels) en kruinagels (seringen).

III. Kleding, huishoudelijk werk, eten en drinken…
Kleren maken de man, en de vrouw en het jonge volk, en het veel gebruikte woord daarvoor was ‘goed’. Op zon- en feestdagen werd het goei goed of sondagsgoed gedragen, op de werkdagen in de week het swaarkendagsgoed. Een hemd was ’n em (twee vrouwen op de markt besloten na enig overleg toch maar een paar hemden te kopen met de woorden: amme demmen emme, emme demme ‘als we de hemden hebben, hebben we [in ieder geval] de hemden’). De mannen droegen bij het werk heel dikwijls een blauwe boezeroen. Een hoed was nen oet, in het meervoud oeje of uje. Voor een pet werd soms het vanuit België overgewaaide klak gebruikt. Bretels heetten grele (eigenlijk garele). Schoenveters waren niessels (in het Nederlands eigenlijk nestels). Tot het huisraad hoorde natuurlijk de kachel, dikwijls een plattebuiskachel; er was ook vaak een oven, waarin de huisvrouw zelf brood bakte. As was assie: de asbak voor de rokers was de assiebak. Een bank was een baank, een bankje een bangeske. Een makkelijke stoel met leuningen om te rusten was de zurg (zorgstoel) Een fauteuil die hier of daar aanwezig was heette fetuil. In de boerderijen was er een opkamertje als voorraadkamer, de spin (spinde). Als er in een winkel brood gehaald moest worden, stuurde moeder ons naar de bakker en we moesten dan zeggen: komplemente van moeders, en ik kwam om ’n wiet of grof brood of brooike (complimenten van moeder, en ik kwam om een wit of bruin brood[je]). Carbonnade was karmenaaje. Paardevlees heette pèèrdespier. Er werd veel pap gegeten: kerremelksepap (karnemelksepap), of voor kleine kinderen poetjespap (zoete melk met een beschuit erin). Slappe koffie was schuddekul. Wie bij het eten te gretig toehapte was grèèt. Lusten was lussen, bij voorbeeld ik lus da nie, ik em da nooit gelusse. Een vork bij het eten was een verket (klemtoon op de tweede lettergreep). Het schrappen van etenswaar, bij voorbeeld peentjes, heette schrabbe of afschrabbe. Gieten was kappe: nen emmer leegkappe. Morsen met droge stof was mokkere, met vloeistof klasse. Snoepgoed was er niet zoveel: drop, zoethout, ne brok (een toffee, caramel), ‘n zuurke (klein snoepgoed zurig van smaak), nen ijsko of (omdat de verkoper die rondkwam riep ‘ijsko piccolo’) ne piekolo. Pindanootjes heetten olienotjes. Chocolade sjeklaat was er in de vorm van repen die kwatta’s heetten, naar de Kwatta chocoladefabriek in Breda. Chocoladehagel was kwattastrooisel. Een eetfestijn voor volwassenen, wanneer op een bepaalde dag de pot – het in de loop van het jaar door een vereniging opzij gezette geld – in spijs en drank werd omgezet, was tère (verteren).

IV. School en opleiding
Ik herinner me ook nog een paar woorden en uitdrukkingen uit de schooljaren. Er was leerplicht, maar schooltje achter deg (de heg) (h)ouwe (school verzuimen) was niet ongewoon en bezorgde het hoofd van de jongensschool en de massesees (de marechaussees, de politie van de grensstreken) veel werk. De speelplaats bij de school was het spulplein (‘speelplein’). Als van een meester werd gezegd dat hij goed afleerde, dan betekende dat dat hij de leerstof goed wist over te brengen op de leerlingen. Wat het schrijfmateriaal betreft, ik heb nog het leike (een kleine lei) gekend, waarop met een griffel of met krijt geschreven moest worden. Moeilijk was het om te leren schrijven met pen en inkt. Met de pen of pen(h)ouwer in de hand bracht je letters en woorden op papier, maar je moest zorgen met de ient (inkt) geen vlakke, ientvlakke (vlekken, inktvlekken) te maken. Een onderwijzer was er die, als je geknoeid of iets anders verkeerds gedaan had, de schuldige naar zich toeriep: die moest dan de vlakke hand ophouden, en de meester sloeg er met een lentje (lineaaltje) op, en dat dee vergimmes zeer (deed verdraaid veel pijn).

V. Spel en ontspanning
Er waren allerlei soorten spelen, waar met name de jeugd zich mee bezig hield. Maar eerst moet Sabbas vermeld worden, de Sprundelse Zwarte Piet. Op 5 december werd in de kerk het feest gevierd van de heilige Sabbas. Om een of andere reden had men hem in Sprundel (en elders in Zuid-Nederland?) van zijn heiligheid ontdaan en hem de functies van Zwarte Piet gegeven: hij zag er met zijn mombakkes (masker) uit als Zwarte Piet, en hij kwam ook door de schoorsteen en hij had ook een zak om lastige kinderen in te stoppen. Ik heb hem als kind met enige angst bekeken. Om op de kinderspelen terug te komen, van sommige herinner ik me wel de naam, maar niet meer hoe het verloop was. Dat is het geval met baore (baren): het was een spel, waarbij evenwijdige lijnen op de grond getrokken werden en men van de éne lijn naar de andere moest lopen, maar meer weet ik er niet meer van. Wat officiëel ‘tikkertje’ heet, heette in Sprundel takkelei. Een meisjesspel was ientele (hinkelen). Schaatsen was schetse, baantje glijden sliddere. Een tol noemden wij dop, een haktol akdop. Voor hoepel zeiden wij reep. Als we gingen vliegeren, dan heette het touw waaraan de vlieger omhoogging bot; bot geven was dat touw laten vieren. Kaartspel was vooral rikken of wiesten (whist spelen, verwant met rikken). Maar artesen (hartesen) werd ook gespeeld. En kortje frète (‘kaartje vreten’) was een gemakkelijk spel vooral voor kinderen. Iets heel aparts was het Sprundels knikkeren, veel gecompliceerder dan het knikkeren elders. Ik heb het als kind veel gedaan, en ik zou het nog wel eens willen zien. Het, altijd door jongens gespeelde, spel begon met eule (heulen: alle deelnemers gooiden van op gelijke afstand ieder een knikker [een glaoze til als hij van glas was] naar een beginstreep [de meet]: degene van wie de til het dichtst bij de meet kwam te liggen, mocht het eerst schiete (de knikker van tussen duim en wijsvinger wegschieten: als dat mislukte was dat flippe; je moest dan roepen flippe doe nie om een nieuwe poging te mogen doen de knikker weg te schieten). De inzet (knikkers of knopen: ieder zette er één in) werd in het potje gelegd, een visfiguur getekend in de grond. Wie zo’n knikker of knoop met zijn til uit het potje schoot, mocht die knikker of knoop voorlopig houden. Wie tenslotte de inzet definitief binnenhaalde – het kon lang op en neer gaan – , had zaksel (hij kon de inzet in zijn zak steken). Wie alles verloor en platzak was, was plut (het Sprundelse woord voor ‘blut’). Twee commando’s waren heel belangrijk: schuinzegerecht (‘schuins en [ge]recht’) en recht overkomme van de meet. Het eerste betekende dat ieder vanaf een linkse of rechtse plek op de meet naar een til bij het potje moest schieten. Het tweede meteen daarop betekende dat ieder van het midden van de meet recht vooruit op die til moest schieten. Als de til niet geraakt werd, mocht de schutter ervan een til of knop uit het potje schieten tot voorlopig bezit. Aontrekken, als ik me goed herinner, was via andermans til iets uit het potje raken en ook in voorlopig bezit krijgen. Tenslotte werd alle voorlopig bezit definitief en werd het zaksel voor de winnaar. Speelden we bij een muur en schoot je raak met een til die van de muur terugkaatste, dan moest je allekaante roepen en was het schot geldig. Riep een ander eerder allekaante nie, dan was het dat niet. Als je met iemand een til (of iets anders) ruilde, dan was dat tuitele. Een apart soort speeltuig, een ronde bal ter grootte van een mandarijntje, waarmee niet geknikkerd, maar gegooid werd om de bal van de tegenstander te raken, was een bommeket (bonket). Een interessant spel, waar jongens en meisjes aan konden deelnemen, was het spel van de koper van verf. Onderdeel van het spel waren de woorden die als vraag en antwoord uitgesproken werden. Het ging ongeveer als volgt. Een koper verschijnt aan de deur van een denkbeeldige winkel met verf. De eigenaar-verkoper staat binnen bij de deur van de winkel; in een hoek van de winkel staan de jongens en meisjes die ieder een kleur zijn: de een is root, de ander gruun, weer een ander pèèrs, nog een ander blaauw, en weer een ander wiet, enz. De koper klopt op de deur, en het wordt een spel van vraag en antwoord tussen koper en eigenaar: ´klop, klop’ – ‘wie zijde gij’ – ‘ikke’ – ‘wa komde gij doen?’ – ‘ik kom om varw (verf)’ – ‘uke? (wat voor?)’ – ‘rooie’; dan roept de eigenaar ‘rooie, vlieg uit’; de betreffende kleurdrager/draagster moet dan uit de hoek komen en de op hem afkomende koper zien te ontwijken; als hij of zij rondlopend erin slaagt, zonder door de koper getikt te worden (die daarbij dan tak zei), in de hoek terug te komen, dan heeft de koper geen rode verf kunnen kopen. Hij kan dan de andere verven proberen en kijken hoe ver hij komt. Om allle verven te kopen moest hij heel vlug en behendig zijn.

VI Allerlei woorden en uitdrukkingen
Ik geef hier dan nog een opsomming van allerlei woorden en uitdrukkingen die ik me van vroeger herinner. Wat geld betreft was er een alfke (een halve cent), een cent, een sjoe (tweeëneenhalve cent: een ronde munt met in het midden een cirkelvormige opening), een niekeltje (een stuiver, vijfcentsstuk: niet van koper als de lagere munten, maar van nikkel). Zilveren munten waren het dubbeltje (tien cent), het kwartje (vijfentwintig cent), de gulden, en de rijksdaalder (tweeëneenhalve gulden. Hoger, papieren geld waren briefkes (van 1ien, vijfentwintig, vijftig ….. gulden). Wat het menselijk lichaam aangaat, waren er de woorden stui (voorhoofd), arses of asses (hersenen), ne vienger (vinger), pienk (pink), bille (zowel dijen aan de voorkant als billen aan de achterkant), pieske (penis: kindertaal?). Een blaar of bloedbaar was een blijn of bloedblijn. Pijn doen was zeer doen. Ruiken was ruke, spuwen tuffe, peuteren puke (ge mot nie in oew neus puke), jeuken juke, krauwen kraawe. Als iets op de hand gewogen werd, dan was dat kwikke. Voor rukken was het woord snokke. Als je niet met iets opschoot, dan was het commando: affesere (‘opschieten‘ van het Franse ‘avancer’). Sloffen (zo lopen dat de zool over de grond schuift) was sleffe. Ruzie maken was akkenaaie. Een typisch woord was ook funtere (= iets precies navragen, proberen te achterhalen). Voor kapot maken hoorde je vroeger nog verbalemonde, maar dat klonk al ouderwets: meestal zeiden we rinnewere of verinnewere. Een mooie uitdrukking was wèèrd bieje (waarde bieden = zijn best doen). Doppe was als werkeloze van de ‘steun’ trekken. Karakteristiek waren ook uitdrukkingen als ik beken men eigen ier nie (ik ken de plaats hier niet; ik ken me hier niet terug); kep men eigen overslape (ik heb me verslapen); als misdienaars moesten wij vroeger den boek overdrage (het zware missaal van de ene kant van het altaar naar de andere kant dragen). Wad ed oew eige begaoid! kreeg een kind te horen als het zichzelf of zijn kleren erg bevuild had; wad eddet begaoid! kon tegen iedereen gezegd worden die van een taak niets terecht had gebracht. De uitdrukking meduunket (me dunkt het) had een versterkende betekenis: ‘ja, dat dunkt mij ook’, ‘nou en of!’. Een vreemde spreekwijze was: ij rookt teveul voor goed zijn (hij rookt meer dan goed voor hem is).De stang van een fiets was de buis, het oppompventiel van de band heette fetuul. Een fets was een bij een beschadiging afgescheurd of afgeschampt stuk: ‘ze hakten op het hout en de fetsen vlogen eraf’’‘. Een eul (= heul) was een ondergrondse waterafvoer, een overwelfde sloot. Een masker, van Sabbas bij voorbeeld, de helper van Sinterklaas, was een mombakkes. Boosheid, kwaadheid was kwaojechet, schoonheid mooiechet (dikwijls ironisch gezegd). Er waren opvallende bijvoeglijke naamwoorden. Uke (wat voor? uke blomme? ‘wat voor bloemen?’ Zukke‘ was ‘zulke’; zukken aord van dienge ‘zo’n soort zaken’. Het bijvoeglijk naamwoord ielek (eigenlijk iegelijk, als ik het goed heb), was ‘elk’: ielek uur ‘elk uur’. Lomp betekende ‘slecht in het leren’, ‘dom’. Leeg (ee uitgesproken als de verlengde i van dit) was ‘laaggelegen’; ook in de uitdrukking bij oog en bij leeg beweren. Locht was ‘licht van gewicht’. Areg was ‘erg’; aoreg ‘eigenaardig’; freetsig ‘opschepperig´; ont of ontig ‘groezelig’, ‘goor’; loofstil ‘bladstil’. Van een dikke vrouw werd gezegd: zis zo breed as Brussel. Dan was er nog een hele serie bijwoorden en bijwoordelijke uitdrukkingen van allerlei aard. Ik som op die ik me herinner. Bekaant of mekaant ‘bijkans’, ‘bijna’: (bekaant is nog nie alf was een veel gebruikt spreekwoord). Voor ‘dadelijk’ werd gezegd bedeeme (= ‘meteen’), seffes of daolek. ‘Dikwijls’ klonk als dikkels; ‘anders’ als aanders of aans. ‘Graag’, ‘gaarne’ was gère. Voor ‘heel goed’ kon je horen gèèf goed (= gaaf goed), voor ‘heel erg’ wreed areg. Bijzonder was ook duvver (= daarvoor) in een uitdrukking als da weet ik duvver nie (‘dat weet ik anders niet’). Het bevestigende ´juist’ was sjuust of ook wel juistement. ‘Veel te veel’ was veuls te veul of vus te veul. Wie ver weg was, was wijd weg; als de afwezige niets van zich liet horen, probeerde men de onrust weg te nemen met de spreuk gin teng, goei teng (geen tijding, goede tijding). ‘Precies’ was dikwijls krek (= correct): krek ak see ‘precies (zo)als ik zei’. ‘Ondertussen’ was impesaant (het Franse ‘en passant’). Tegenwoordig wordt gezegd ‘zeker weten’: wij zeiden zeker te wete (hij is ziek zeker te wete). En ‘vast en zeker’ was in Sprundel zeker en vast. Tenne de straat (= te einde de straat) was gewoon in plaats van ‘aan het einde van de straat’. Uitroepen van verwondering waren oejerejee (och, Here Je[zus]) en jezus van maraante (vermoedelijk Jezus van Maria en Anna [Jezus en zijn moeder en grootmoeder; er waren veel afbeeldingen van Anna ten Drieën Anna, Maria en Jezus.]). Uiting van boosheid was vergimme, een soort vloek, maar netter dan verdomme of g..v..d..: afgeleid was vergimmes: die vergimmese mugge; het dee vergimmes zeer.

VII. Afwijkende woord- en zinsvorming
In de Sprundelse taal zijn er niet alleen woorden die in de huidige algemene Nederlandse taal onbekend zijn. Er zijn ook woorden, die als Nederlands herkenbaar zijn, maar die op een afwijkende manier behandeld werden. Zo bij voorbeeld het vooornaamwoord ‘die’. ‘Die man’ is de’n dieë; ‘die vrouw’ is de die. Gezegd werd: ze keek naar mijn; da’s van mijn, da’s van zijn, da’s van eur (van haar), da’s van ullie (kon zowel betekenen ‘van jullie’ als ‘van hen’). Heel gewoon was ook het gebruik van ‘eigen’ in uitdrukkingen als: ik ep men eige golpe (ik heb mezelf geholpen); zeet der eige golpe (ze heeft zichzelf geholpen); ge kunt er oew eigen nie draaie of wenne (je kunt er jezelf niet draaien of wenden); ged oew eige goed golpe (je hebt jezelf goed geholpen). Golpe stond in plaats van ‘geholpen’; ‘ik hielp’ was in Sprundel ik olp. Anders dan in het Nederlands waren ook de werkwoordsvormen vrieze vroos gevroze (vriezen vroor gevroren), waarke, werkte, geworke; slaon sloog gesloge; denke docht gedocht, worren wier geworren (worden werd geworden); ouwe ieuw gouwe (houden hield gehouden); steken stook gestoken, plegen (gewoon zijn) plocht (placht: hij plocht te zeggen). De werkwoorden likke en lekke waren in betekenis precies andersom als in het standaard-Nederlands: de goot likte en ij lekte aon nen ijsko. Het werkwoord zijn had ook zijn bijzonderheden: ik zen ziek (ik zijn ziek = ik ben ziek); ik waar ziek (ik was ziek); ik em ziek gewiest (ik heb ziek geweest); ik em wieste fietse ‘ik ben wezen fietsen’. Bij het werkwoord ‘hebben’ waren vormen als: ik ep en ik em (ik heb), gij è en gèd (jij hebt); edde gij?; gij egget gezien of gegget gezien (jij hebt het gezien); (h)ij ee gezien (hij heeft gezien), (h)ij eget gezien (hij heeft het gezien), ik aar (ik had), ik em veul leut gad (veel plezier gehad). Alleropmerkelijkst is mijns inziens de woordopeenvolging met de verleden tijd van ‘hebben’ (ik aar) in de uitdrukking akket kunne zien aar (als ik het had kunnen zien; letterlijk als ik het kunnen zien had) en achet kunne zien aart (als je het had kunnen zien). De spreekwijze g(ij)egget gezien is vermoedelijk de samentrekking van gij è gij het gezien met herhaling van gij, net als de herhaling van ‘ik’ in ik ep ik et gezien. – Maar de ‘g’ kwam ook voor in uitdrukkingen als (h)ij eget gezien (hij heeft het gezien) en oe gaget? (hoe gaat het?) -. In het Sprundels taalgebruik traden trouwens gemakkelijk herhalingen op. In de zin dad ek ok nie gezeed ok nie (dat heb ik ook niet gezegd) staat twee keer ok nie; twee keer staat er wir (weer, opnieuw) in waddist toch wir n weer wir! (wat is het toch weer een – slecht – weer!). Een mooie gedachte was in het Sprundels onzijdig ’n schoon of mooi gedacht. Bijzonder in het Sprundels waren ook de woorden van bevestiging en ontkenning (‘ja’ en ‘nee(n)’) versterkt met ‘het’, als in de taal van de zestiende en zeventíende eeuw (bij voorbeeld in de oude protestantse Statenbijbel). Het bevestigend antwoord was dan ‘ja het’, uitgesproken als ‘jot’ (oejeejot = o Heer ja). Het ontkennend antwoord was óf ‘neen het’, uitgesproken als ‘nint’ (oejee nint), óf ‘nee het’, uitgesproken als ‘nèje’ (oejeenèje). De toevoeging van ‘het’ achter het woord hoorde je ook in andere verbindingen, als messchient voor ‘misschien’ of nuwt voor nieuw (tis nuwt ‘het is nieuw’).