F t/m J

F
ne faant man die met koopwaar langs de deur gaat. luiwammes
’n féép een dreinerig, flauw vrouwspersoon
ij eet ’n fets van z’n stuì hij heeft zijn voorhoofd geschaafd
fiêpebollekes bessen van de lijsterbes
fiêpebollekes bessen van de lijsterbes
fiepke fluitje van hout ( lijsterbes )
flamoês vrouwelijk geslachtsdeel
ne flapdrol een vent van niks
fleppe zuigen
’n flidderke kèès een heel dun plakje kaas
fljeejaor vorig jaar
de flenters ienge d’r aon de rafels hingen er aan
floês ?
z’n flûit staot òòpe zijn gulp staat open
fochele bespringen, paren van vogels. vogelen
foepe ergens instoppen ( maar niet netjes)
n’n foepstèèrt gecoupeerde dierenstaart
da fokkedeer nie dat past niet samen
ne frak een jas
bij welk onderdeel van het leger is hij? IJ is bij de liggende frèèters Hij heeft het goed getroffen; op tijd z’n natje en z’n droogje, hij hoeft zich niet in te spannen. Onderdeel van het leger: infanterie
funtere iets precies navragen, uitvragen, bepaalde dingen proberen te achterhalen
’n fwóói een vrouwtjeskonijn
fwóóle knuffelen, aaien
’n fwóólkatje een katje dat graag geaaid wordt
G
Meej gaank nor ûis gaon; ij éét de gaank ‘r flienk inzitte; ij moes meej gaank nor de plee Snel naar huis gaan; hij ontwikkelt een behoorlijke snelheid; hij moest snel naar de wc
gaffel gereedschap:tweetandige hooivork. persoon: bot en vervelend iemand
wa zèède n’n ljééleke gaffel scheldwoord:
galge bretels
ne galliepaoper een onnozel persoon
ne gaoperd een nieuwsgierig figuur die op een afstand de zaak bekijkt.
wat zèède ne gaoperd zie hierboven, maar ook een suffig figuur
da gao t’r ’n gat ûit snel, voortvarend
de gaoters zitte in z’n broek er zitten gaten in zijn broek
garder boswachter
gefrommelde appeltjes appels met gerimpelde schil
ze éét ’n gefrutteld kleejke aon ze heeft een gekreukt jurkje aan
as ’n gedaacht zeer goed
’n gedoeike een klein boerderijtje
gèèf behoorlijk
gèère graag
da’s gekkeluk dat is gek, raar
ne gelder een halfwas varken
gemaole joep salmiak
n’n wóóp geneûk een hoop ruzie
ik zen genukt ze hebben me te pakken
’n geraoktèèd krèège een beroerte krijgen
’n gèrdje een twijgje, garde
’n gerijke door paard getrokken rijtuig
ne gerùffelde truì trui waar door slijtage de rafels er aanhangen
‘m gepse er vandoor gaan
geschandaliséérd iets wat kapot of lelijk gemaakt is
ze komme gestèèrt binne ze komen met onregelmatige tussenpozen binnen
n’n getribbeleerde een dolle dwaas
z’n getûig oprûime zijn gereedschap opruimen
daor gienter daarginds
gienterwèèd of gienderwèèd ver weg of daarginds
gimmeleersel email ( gekleurde metaalverbinding)
t gjéért een schuinse richting hebben ( bv. stuk grond of een huis)
ne gjééseldop tol met een zweepje
‘m goed om emme flink dronken zijn
gòòker(domme) kreet als je ergens verschrikt op reageert
grèèt zèn hongerig zijn (naar)
grjééle bretels
grwóófer grootvader
grwóótje grootmoeder
grwòòtsig verwaand
gùllie jullie
H In ons dialect bestaan geen woorden met de H
I
’n icht een eg
ieder overaand ieder om de beurt
’t mot toch ieveraand ligge ergens liggen
n’n impaamp een inkeping
ij kwaam van n’n impaamper ( Sprundels? ) hij kwam van een op- of afrit
impesaant en passant, ondertussen,tegelijkertijd, terloops
d’n inmaok ingekuild gras of bv snijbonen die in een keulse pot werden bewaard
J
iemand ’t jak ûitbossele ( uitborstelen ) iemand flink de les leren
wa lwóópte te jakke wat loop je je te haasten
da gao as ’n jee dat gaat heel voortvarend
jéékels eikels
jillemaol/jullemaol helemaal
ge zou t’r ’n jong van krèège uitroep: als iets zwaar tegenvalt
jot ja(wel) oké, dat is goed, doe maar
jûin ui ( ajuin)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *